De mooie kanten van akkerranden: biodiversiteit

In Salland zie je ze helaas niet veel meer: ruige en bloeiende akkerranden. Voor een veelzijdige natuur, een mooie    biodiversiteit zijn ze echter hard nodig. En voor de boeren hebben de randen zeker ook hun nut!

Akkerranden hebben veelal een agrarische functie. Ze kunnen benut worden om ziekten en plagen in het gewas te beheersen. Beschikbare zaaimengsels zijn samengesteld met het doel om nuttige insecten aan te trekken, zoals sluipwespen, zweefvliegen en lieveheersbeestjes. Deze insecten helpen als natuurlijke bestrijders om bepaalde plagen als luizen in het gewas te bestrijden. Hierdoor hoeven er minder bestrijdingsmiddelen gespoten te worden. Dat is goed voor de waterkwaliteit van sloot en bodem, maar het scheelt ook in de kosten voor gewasbescherming. Sommige plagen komen specifiek voor in bepaalde gewassen.
De natuur vaart wel bij de aanleg van bloeiende akkerranden. Behalve voor de vele soorten insecten -als vlinders, solitaire en sociale bijen, hommels-  die er stuifmeel verzamelen en nectar halen, vormen de randen ook een leefomgeving voor akkervogels die van oorsprong veel voorkwamen in agrarische gebieden, maar die tegenwoordig zeldzaam zijn geworden. De hoog opschietende grassen en kruiden vormen een ideale omgeving voor zangvogels om in te broeden, voor patrijzen en voor muizen om te schuilen. Die laatsten trekken op hun beurt roofvogels aan.

Eenjarige randen kunnen worden aangepast aan het gewas waar ze naast worden gezaaid. De bloemen en kruiden worden speciaal geselecteerd om die insecten aan te trekken die ziekten en plagen bestrijden die juist in dat gewas veel voorkomen.
Geschikte soorten zijn: gele kamille, boekweit, bolderik, klaproos, korenbloem, meisjesogen, gipskruid, luzerne, saffloer, cosmea, vlas en gele ganzenbloem.

  bolderik                                                   gele ganzenbloem                   saffloer

                                                                     vlas
                                                                 
In meerjarige randen kunnen insecten overwinteren. Dat betekent dat nuttige insecten al vanaf het vroege voorjaar aanwezig zijn, belangrijk voor gewassen met plagen en ziektes die zich al vroeg in het seizoen kunnen voordoen.
Geschikte soorten zijn: duizendblad, wilde cichorei, klaproos, gele ganzenbloem, wilde margriet, witte klaver, smalle weegbree, gewone rolklaver, luzerne, boerenwormkruid en boekweit.


  duizendblad                               wilde cichorei                                          klaproos

   smalle weegbree                                       gewone rolklaver                                     boekweit

Het aanleggen van akkerranden alléén is niet genoeg. Biodiversiteit heeft pas echt effect als nuttige insecten zich kunnen verspreiden naar een breder ecologisch netwerk. Bijvoorbeeld dat de insecten kunnen overwinteren wanneer bij eenjarige randen deze na het teeltseizoen worden ondergeploegd. Vanuit omliggende landschapselementen kunnen ook in het begin van het voorjaar de natuurlijke bestrijders zich dan verspreiden in de akkerranden. Daarom wordt er zoveel mogelijk geprobeerd om de randen aan te laten sluiten op wegbermen en slootkanten die op een natuurlijke manier worden beheerd. Sommige insecten houden van hoog gras. Door het maaien uit te stellen wordt voor die soorten een aantrekkelijke leefomgeving gecreëerd. Tegelijkertijd kunnen ze via zo’n netwerk ook gemakkelijk andere akkerranden in de buurt bereiken.

                   AKKERRANDEN BARSTEN VAN HET LEVEN

                                                                       AKKERRANDEN STAAN MOOI IN HET LANDSCHAP